Bodemstructuur

Vorige artikel
Volgende artikel

De structuur van een bodem is van groot belang. Structuur kun je omschrijven als de verhouding tussen lucht, water, organisch materiaal en de minerale deeltjes. Ik behandel ze verderop in de cursus allemaal apart, maar in het kort:

  • ongeveer 25% lucht: gewoon de lucht die wij ook inademen; plantenwortels en een belangrijk deel van het bodemleven hebben net als wij zuurstof nodig;
  • ongeveer 25% water: nodig voor fotosynthese, het transport van voedingsstoffen – het bodemleven heeft natuurlijk ook water nodig;
  • minimaal 5% organisch materiaal: alles wat leeft, heeft geleefd, hun uitwerpselen en metabolieten, enzovoort;
  • ongeveer 45% minerale deeltjes: zand, silt en lutumdeeltjes.

De structuur bepaalt hoeveel water en lucht een bodem kan bevatten: in de grote poriën zit lucht, in de kleine zit water. Veel mensen denken onterecht dat je structuur creëert door te ploegen, te spitten of te frezen. Ik wil niet zeggen dat er nooit reden tot spitten is: een bodem die zwaar aangedrukt is door zware machines mag je gerust even flink los proberen te maken. Het is wel slim om dan meteen goede, rijpe compost in te werken. Wat rijpe compost is en hoe je die maakt, leer je in de online mini-cursus ‘Composteren kun je leren’. Die kun je ook gewoon gratis volgen.

De structuur beïnvloedt ook welke beestjes er in de bodem kunnen leven: hoeveel biodiversiteit er in zit. Hoe meer biodiversiteit, hoe minder ziekten en plagen. Er is wel een bovengrens aan de hoeveelheid organisch materiaal die een bodem kan bevatten voordat er problemen optreden (zoals een kopergebrek bij planten), maar daar hoeven we ons voorlopig geen zorgen over te maken.

Hoe de structuur van de bodem ontstaat

De structuur van de bodem ontstaat doordat allerlei organismen kleefstoffen produceren die bodemdeeltjes aan elkaar kleven. Op een kale bodem die een slechte structuur heeft, staat vaak een laagje water waar algen in groeien die de bodem een groene waas geven. Deze produceren wateroplosbare kleefstoffen, gommen, en een klein beetje biomassa (door middel van fotosynthese) waar bacteriën van kunnen eten als de alg sterft. Bacteriën produceren bacterieel slijm waarmee ze zich aan bodemdeeltjes hechten om te voorkomen dat ze wegspoelen. Daarmee hechten ze ook bodemdeeltjes aan elkaar, wat de structuur dus verbetert. Op een gegeven moment, dat kan een paar jaar duren, komen er ook schimmels in de bodem wonen en die helpen ook bij het bij elkaar houden van de bodemdeeltjes.

Foto: USDA-NRCS

Intussen zijn er ook planten in de bodem gekomen die nog veel meer biomassa produceren en wortels de bodem in sturen. Sommige planten hebben penwortels (paardenbloem, luzerne, ridderzuring, …) en zijn heel goed in het doorboren van storende bodemlagen. Maar veel planten profiteren vooral van het voorwerk dat andere planten hebben gedaan: de gangen die de wortels van andere planten al hebben gemaakt worden zoveel mogelijk opnieuw gebruikt.

Lumbricus terrestris, de gewone regenworm. Foto: Rob Hille, CC BY-SA 3.0.

Als er genoeg te eten is, komen er allerlei gravers: mieren, wormen, woelmuizen, mollen, slakken, emelten, engerlingen, noem maar op. Die verstoren de boel hier en daar zodat er meer diversiteit komt (meer niches) en bovendien transporteren ze organismen die anders maar een paar micrometer van de bodem te zien zouden krijgen, zoals bacteriën. Maar ze nemen ook schimmelsporen mee en ze mengen de bodemdeeltjes door elkaar. Die functies noemen we bioturbatie. En dat is zeer belangrijk! Het duurt jaren voordat de bioturbatie in een bodem die geploegd is weer op volle toeren draait. Kijk maar eens naar het filmpje hieronder om te zien hoe wormen een bodem door elkaar woelen.

Hieronder nog een vergelijkbaar filmpje waarop je het (spectaculaire!) verschil kunt zien tussen een bodem zonder en met bodemleven.

Vorige artikel
Volgende artikel
14+